VEHAMED – motie over
maagzuurremmers.
Hiermee willen wij
krachtig protesteren tegen de nieuwe Bf-reglementering die ons door minister
Demotte opgelegd wordt.
Met deze
reglementering worden huisartsen én patiënten nodeloos belast. De minister wil
de indruk wekken de goede medische praktijk te bevorderen. Het tegendeel is
echter waar. Waar een goede anamnese en klinisch onderzoek vaak volstaan om een
adequate behandeling voor dyspepsie in te stellen en te monitoren, én toelaten
de noodzaak van een endoscopie te bepalen, dient de patiënt zich nu al te vaak
te onderwerpen aan een duur en belastend onderzoek, omdat de minister het zo
wil. En de huisarts zit weer met een ingewikkelde, moeilijk te volgen
Bf-regeling opgezadeld. Bovendien wordt de huisarts andermaal onterecht
geblameerd als een onverantwoorde veelvoorschrijver en verantwoordelijk gesteld
voor tekorten in het RIZIV-budget.
Daarnaast is de bedoeling van deze
reglementering - en dat is evident het belangrijkste voor de minister - een
substantiële besparing te realiseren. Ook dit roept bij ons grote twijfels op:
hoe kan de minister in belangrijke mate de behandeling van een veel voorkomende
pathologie met een belangrijke morbiditeit terugdringen? Temeer als het om de
eerste keuzebehandeling ervan gaat. Wat is de logica hiervan en hoe realistisch
is dit? Zeker als deze besparing moet gerealiseerd worden door het verplicht
stellen van een duur onderzoek.
Namens Vehamed,
huisartsenkring van de regio Dendermonde,
dr De Gendt Bruno,
voorzitter
bruno.degendt@pi.be
“Uit beschikbare
gegevens (Farmanet - Publieke apotheken) is gebleken dat de transfer van
hoofdstuk IV naar hoofdstuk I van bepaalde maagzuurremmers (PPI en H2RA)
heeft geleid tot een sterk stijgend gebruik van deze geneesmiddelen. Van 2001
naar 2004 stegen aldus de jaarlijkse kosten voor het RIZIV van 119 miljoen €
naar 149 miljoen € voor deze 2 klassen van maagzuurremmers (opmerking: voor 2004
gaat het om verwachte bedragen). Ondanks een belangrijke prijsdaling van de
betrokken farmaceutische specialiteiten heeft dit aanleiding gegeven tot een
aanzienlijke bijkomende belasting van het geneesmiddelenbudget.
Deze vaststelling
heeft geleid tot de beslissing om maatregelen te nemen die een zo groot
mogelijke garantie bieden voor het doelmatig gebruik van geneesmiddelen, dat wil
zeggen een correcte behandeling van de juiste patiënten binnen de beperkingen
van het geneesmiddelenbudget.“
a.
190
miljoen € voor omeprazole (86% generisch)
b.
62
miljoen € voor Pantozol
c.
32
miljoen € voor Nexiam
Ter vergelijking dus bij
ons: “Van 2001 naar 2004 stegen aldus de jaarlijkse kosten voor het RIZIV van
119 miljoen € naar 149 miljoen € voor deze 2 klassen van maagzuurremmers”
Prijsevolutie vd
PPI’s:
2002 2005
a.
Losec
28 caps 10mg 35,20
€ 31,70 €
b.
Losec
28 caps 20mg 53,32
€ 47,22 €
c.
Losec
28 caps 40mg 92,17
€ 80,63 €
d.
omeprazol 28 caps 10mg (div generica)
15,92 €
e.
omeprazol 28 caps 20mg (div generica)
26,35 €
f. omeprazol
28 caps 40mg (div generica)
40,76 €
en voor de
goedkoopste generiek wordt dat zelfs
g.
Sedacid
28 compr
20mg 20,25
€
dus duidelijk meer
dan een halvering van de prijs van de generieke PPI’s tov de prijzen van de
merkgeneesmiddelen van 2002; hiermee waren de farmaceutische bedrijven duidelijk
hun deel van de afspraak nagekomen. Door deze nieuwe PPI-reglementering houdt de
overheid zich niet aan de gemaakte afspraak en toont de overheid zich
andermaal een onbetrouwbare partner.

(grafiek: Pharma.be)
(terloops weze
opgemerkt dat wij niet begrijpen waarom de minister stelt dat het voorgeschreven
volume verviervoudigd is; ook budgettair lijkt dat onwaarschijnlijk en zou dit
een veel grotere implicatie moeten hebben)
-
Weliswaar steeg het budget met zo’n 25%: van 119
miljoen € naar 149 miljoen €. Daartegenover staat een verdubbeling van
het aantal DDD’s. Is dit dan zo’n slechte zaak? Bovendien was er een
belangrijke besparing door de vermindering van het aantal gastroscopies (met
specialistische consulten en biopsies, en ev ander bijkomend onderzoek; én
telkens minstens 1 dag werkverlet voor wie werkt). Ook dit moet in
rekening gebracht worden.
-
Ook stellen we ons de vraag of hier geen rekening
gehouden dient te worden met de recuperatie van het overschreden
geneesmiddelen-budget dmv het claw-back mechanisme?
-
De stijging van het budget is enkel te wijten aan het
blijven voorschrijven van de merkgeneesmiddelen, waarvan het
voorschrijfvolume slechts met één derde daalde. Of de oorzaak hiervan bij de
huisartsen te zoeken is, is toch wel zeer de vraag: het is steevast de
waarneming van de huisartsen dat specialisten bijna nooit generieke PPI’s
voorschrijven. De gastro-enterologen behoren tot de specialisten die
ondermaats generica voorschrijven. Bovendien blijft het voor de huisarts een
immer weerkerend moeizaam proces de patiënt die terugkomt van een
gastroscopie te overtuigen een generieke PPI te nemen ipv het door de
specialist voorgeschreven merkgeneesmiddel. Dit lukt niet altijd. Dit
verklaart (minstens te dele) waarom ook huisartsen merkgeneesmiddelen
voorschrijven.
Overigens roept dit
ook vragen op over het beleid: moet ook de overheid niet EBM handelen, en
de nodige structurele maatregelen nemen om dit te ondersteunen? Wat is de logica
van de terugbetaling van dure merkgeneesmiddelen, als er een merkelijk goedkoper
generisch product voorhanden is? (En zoals nu: wat is de logica van de
terugbetaling van een merkgeneesmiddel in B, tov de terugbetaling van het
generisch geneesmidddel in C? Bovendien geeft dit een verkeerd signaal naar de
patiënt toe.) Daarenboven weerspiegelt het verschil in remgeld helemaal niet het
verschil in kostprijs van het geneesmiddel, integendeel zelfs. Waar dit verschil
in remgeld nooit meer dan 4€ bedraagt, wordt dit verschil in remgeld minder als
de prijs van het geneesmiddel hoog wordt, en wordt dit zelfs maar 1 eurocent
meer voor 28 caps van 40mg ( voor een kostprijs van het merkgeneesmiddel van
80,63 € en voor een verschil in kostprijs van zo’n 40 € tov het generisch
geneesmiddel ! ).
kostprijs: remgeld: WIGW
Losec 28
compr 40mg 80,63 €
10,20 € 6,80 €
Omeprazole
28 caps 40mg (div generica) 40,76 € 10,19
€ 6,11 €
Ook dit is mede
verantwoordelijk voor de belasting van het budget, maar ligt helemaal in de
handen van de overheid.
(Door een recente
maatregel wordt deze anomalie enigszins aangepakt, doch zeker nog niet helemaal
weggewerkt.)
-
Bovendien moet de vraag
gesteld
worden of de beoogde beheersing van het budget niet veel beter zou
gerealiseerd worden door een rationalisering van de terugbetaling en
deze terugbetaling te beperken tot het bedrag ervan voor de generische PPI’s
en H2RA’s, of zelfs helemaal af te schaffen voor de
merkgeneesmiddelen.
-
De minister wil een “doelmatig gebruik van
geneesmiddelen, dat wil zeggen een correcte behandeling van de juiste
patiënten binnen de beperkingen van het geneesmiddelenbudget”. Toch
maakt de huidige regelgeving het de ziekenfondsen wel mogelijk tussen te
komen voor homeopatica edm, en dit zonder afremmend onderzoek,
ook al zijn deze behandelingen helemaal niet EBM-wetenschappelijk
onderbouwd. Ook al gebeurt dit in een ander kader, gelden niet dezelfde
regels voor iedereen ?
-
Ligt hier overigens ook geen mogelijkheid voor de
minister om het budget te ondersteunen met de tussenkomsten die de
mutualiteiten voor homeopatica edm uitbetalen (zoals hij destijds de
ristorno’s die de apothekers aan de patiënten uitbetaalden, naar zich toe
trok) ?
-
Het lijkt alleszins een rationele maatregel in het
kader van EBM, én voor het optimaal aanwenden van de beschikbare middelen,
de terugbetaling onmogelijk te maken van niet-wetenschappellijk onderbouwde
middelen als Homeopatica edm. Ook een maatregel van rechtvaardigheid en
logica: als de geneesheer EBM moet voorschrijven, moet hij over
EBM-geneesmidelen beschikken.
-
De hoge prevalentie van het aantal patiënten met
dyspepsie, en het verplicht invoeren van een duur onderzoek
voor een belangrijk aantal patiënten, doen vragen rijzen over de
mogelijkheid tot substantiële besparing met de nieuwe PPI-reglementering.
-
Temeer daar elke gastroscopie een dag
werkonbekwaamheid inhoudt. Ook dit heeft zijn (in deze context al te
dikwijls vergeten) prijs.
-
De generische PPI’s werden ondergebracht in Hoofdstuk
2, onder de Wet op de Responsabilisering van de Artsen. Gezien de
complexiteit van de nieuwe PPI-reglementering, en de zware consequenties (monitoring
van de ganse praktijk en zware beboeting) bij het niet correct toepassen van
deze nieuwe PPI-reglementering dienen wij ons de vraag te stellen of het
binnen de huidige context voor de individuele huisarts niet verstandiger is
te kiezen voor een merkgeneesmiddel uit Hoofdstuk 4: hier is hij enkel
verplicht vooraf een aanvraag tot goedkeuring in te dienen bij het
ziekenfonds. De enige mogelijke sanctie is hier weigering tot terugbetaling.
Deze geneesmiddelen zijn wel merkelijk duurder.
-
De minister stelt zelf dat “de modaliteiten van
terugbetaling en de medische terminologie (bijvoorbeeld bij
refluxoesofagitis) dienden aangepast te worden aan de nieuwe
wetenschappelijke inzichten en internationale aanbevelingen. “
Hiervoor wordt
verwezen naar:
- de RIZIV-consensusconferentie over het "Doelmatig
gebruik van zuurremmers bij gastro-oesofagale reflux en dyspepsie"
(mei 2003) (PDF - 383 KB);
- de Britse "guidelines for the National Health
Service" over "Managing
dyspepsia in adults in primary care"
door de "National Institute for Clinical Excellence" (augustus 2004).
-
Waar de minister de indruk wil wekken EBM met deze
nieuwe PPI-regelgeving te ondersteunen, is dit allerminst waar. Om dit aan
te tonen grijpen we terug naar de definitie van Offringa et al: “Evidence-based
medicine is het zorgvuldige, expliciet en oordeelkundig gebruik van het
huidige beste bewijsmiddel om beslissingen te nemen voor individuele
patiënten. De praktijk van evidence-based medicine impliceert het integreren
van individuele klinische expertise met het beste externe
bewijsmateriaal dat vanuit systematisch onderzoek beschikbaar is. De
voorkeuren, wensen en verwachtingen van de patiënt spelen bij de
besluitvorming een essentiële rol.” De EBM-richtlijnen dienen dus telkens
geïndividualiseerd te worden. Het is dus allerminst de bedoeling
algemeen-geldende richtlijnen op te stellen die dan universeel strikt dienen
toegepast te worden. Omwille van meerdere redenen is het onwenselijk EBM om
te zetten in wetteksten:
a.
“...huidige
beste bewijsmiddel...”. de regelgeving dient in de loop van de tijd aangepast te
worden aan vernieuwde inzichten. Het is evident dat wetteksten niet de nodige
souplesse hiertoe hebben.
b.
“...individuele
klinische expertise...” dit is individueel artsgebonden, en laat zich dus
niet in wetteksten vastleggen.
c.
“...voorkeuren,
wensen en verwachtingen van de patiënt...“ dit is individueel
patiëntgebonden, en laat zich dus evenmin in wetteksten vastleggen.
-
Waar de oude Bf-regeling terugbetaling van de PPI’s
toeliet igv maag- en duodenumulcera en reflux-oesofagitis met endoscopisch
zichtbare letsels, stellen de hierboven aanbevolen guidelines een
belangrijke verruiming voor van hun indicatiegebied, nm ook voor reflux
zonder endoscopische afwijkingen en voor functionele dyspepsie.
-
De Nederlandstalige consensustekst vermeldt: “Tussen 15
en 25% van de bevolking ondervindt in een periode van één jaar minstens
eenmaal klachten van dyspepsie. Minder dan de helft van deze patiënten
raadpleegt hiervoor een arts. Dyspepsie is nochtans een belangrijke oorzaak
van morbiditeit met een belangrijke economische weerslag op de gemeenschap.”
-
De Engelstalige consensustekst vermeldt: “It
is estimated that up to 40% of the adult population suffer from dyspepsia in
any one year. About 10% of the population seek their general practitioner's
advice for dyspeptic symptoms each year and about 10% of these are referred
on for a specialist opinion.” en “Dyspepsia refers to a broad range of
symptoms related to dysfunction of the upper gastrointestinal (GI) tract
from the oesophagus to the duodenum, including retrosternal or epigastric
pain, fullness, bloating, wind, heartburn, nausea and vomiting. Pain may
vary from mild to severe, may be intermittent and may often resolve itself
without medication. The main causes are gastro-oesophageal reflux disease (GORD)
(15-25%), gastric and duodenal ulcers (15-25%) and stomach cancer (2%). The
remaining 60% are classified as non-ulcer dyspepsia (NUD), also called
‘functional’ dyspepsia.”
-
Empirische behandeling met PPI’s is eerste keuze voor
initiële interventie igv ononderzochte dyspepsie.
(Naast testen op en behandelen van H. pylori: momenteel is onduidelijk welk
van de twee de voorkeur verdient. )
-
Het gevolg van de toepassing van deze guidelines tov de
vroegere Bf-regeling liet dus een belangrijke toename van het
voorschrijven van PPI’s verwachten. Dit werd trouwens verwacht door de
minister. Op de RIZIV-site is immers te lezen “(opmerking: voor 2004 gaat
het om verwachte bedragen)” bij “Van 2001 naar 2004 stegen aldus de
jaarlijkse kosten voor het RIZIV van 119 miljoen € naar 149 miljoen € voor
deze 2 klassen van maagzuurremmers (opmerking: voor 2004 gaat het om
verwachte bedragen)”.
-
Bovendien maakt dit alles duidelijk dat er nog een
belangrijke onderbehandeling is van dyspepsie. Aangezien de PPI’s
hiervoor eerste-keuze-behandeling zijn, zullen er meer PPI-voorschriften
moeten afgeleverd worden, naarmate meer mensen zich met dit probleem tot de
huisarts wenden.
-
Globaal genomen kunnen wij in deze context 2 groepen
patiënten onderscheiden. Vooreerst is er de groep met alarmsymptomen.
Het spreekt voor zich dat deze groep snel dient verwezen te worden naar de
gastro-enteroloog voor een gastroscopie en een oorzakelijke behandeling.
Dit is echter slechts een kleine fractie van de hier beschouwde patiënten.
-
Het leeuwenaandeel wordt echter gevormd door de tweede
groep: de ulcera-, de reflux- en de functionele dyspepsie-patiënten.
Hier gaat het om lastenverlichting en symptoom controle. Dit is in
essentie een klinisch gegeven.
-
Over de endoscopie zegt de Nederlandstalige
consensustekst: “Endoscopie heeft een lage sensitiviteit (afwezigheid van
oesofagitis in meer dan 50% van de gevallen van pathologische
gastro-oesofagale reflux). Een endoscopie laat dan ook niet toe het verband
te bevestigen tussen het klinisch beeld en een eventuele reflux-ziekte
(vooral niet bij de atypische presentaties van gastro-oesofagale relfux).
Bovendien blijft ze relatief invasief.”
-
Is dit alles dan ook in de eerste plaats geen
pleidooi voor een goede anamnese en een goed klinisch onderzoek? En dit
zowel voor het vroegtijdig opsporen van de alarmsymptomen en de snelle
verwijzing, als voor het monitoren van de dyspepsie, en de eventuele
indicatiestelling van de gastroscopie.
-
En een pleidooi voor de
erkenning van het
huisartsensyndicaat als volwaardige gesprekspartner? De problematiek van
dyspepsie is in belangrijke mate huisartsenproblematiek. Het is dan ook
logisch dat de zorg hiervoor met de huisartsen uitgebouwd wordt. Wij
erkennen de eigen inbreng van de specialist in deze problematiek, maar deze
is beperkt. En wij bemoeien ons ook niet met de organisatie van de
specialistische zorg. Zo vragen ook wij zelf onze eigen zorg te kunnen
organiseren met de overheid.
-
Door ons er niet bij te betrekken ontstaat al te
gemakkelijk wrevel en herrie:
het onuitvoerbare, inefficiënte, al te belastende van dergelijke regelgeving
kan blijkbaar door de overheid zelf niet ingeschat worden.
-
Nochtans willen wij ons als een verantwoorde partner
gedragen.
Wij willen een goede geneeskunde, zoveel mogelijk EBM-wetenschappelijk
onderbouwd, met een optimaal aanwenden van de beschikbare middelen. Wij
willen dit samen uitwerken met de oveheid.
-
Tenslotte nog dit: Door deze nieuwe PPI-reglementering
dient de patiënt meer te betalen voor zijn medicatie (mede door de kosten
van een onderzoek, dat bovendien nog vrij belastend is). En dan gaat het om
veel meer dan de halve euro voor de indexering van de huisarts. Toch
worden wij met zware sancties bedreigt als wij indexeren. Ook al gaat het om
een basis-verworvenheid van de welvaartstaat, die elders allang automatisch
toegekend wordt.
Deze maatschappij doet zeer
ernstige inspanningen om haar huisartsen zeer goed op te leiden: onze
wetenschappelijke huisartsgeneeskunde staat op een zeer hoog peil. Jonge mensen
beginnen duidelijk gemotiveerd aan deze opleiding en volgen de langste
universitaire opleiding die in ons land bestaat. Nadien is er de continue
postuniversitaire bijscholing. Wanneer zal de overheid zelf dit alles naar
waarde schatten, haar paranoia achterwege laten en het medisch funcioneren van
de huisarts het vertrouwen geven dat hij verdient? Wanneer zal de overheid deze
motivatie en kennis optimaal structureel onderbouwen? Zowel internationaal
wetenschappelijk onderzoek als economische
OESO-rapporten benadrukken het belang
van een goed uitgebouwde huisartsgeneeskunde en eerstelijnsgezondheidszorg voor
een kwalitatieve verbetering van de ganse zorg, en voor een betere beheersing
van het budget. Waar in andere Europese landen het belang van de huisarts meer
en meer erkend en structureel ondersteund wordt, moet de huisarts hier meer en
meer terrein prijsgeven en is de Belgische huisarts structureel binnen de
gezondheidszorg zowat de meest gemarginaliseerde huisarts binnen Europa
geworden. In ons land wordt immers meer en meer de kaart getrokken van de
specialistische geneeskunde. Met een schrikbarend stijgend kostenplaatje tot
gevolg. Een versterking van de huisartsgeneeskunde en de
eerstelijnsgezondheidszorg kan dit helpen beheersen. Nu gebeurt het
tegenovergestelde: in een neerwaartse spiraal wordt de huisartsgeneeskunde
voortdurend een beetje meer uitgeknepen om de immer onverzadigbare
hospitaalgeneeskunde toch nog extra zuurstof te kunnen geven. Dat hierdoor de
basisgezondheidszorg van onze maatschappij meer en meer in het gedrang komt,
lijkt het beleid niet te deren...
