|
FEDERALE OVERHEIDSDIENST SOCIALE
ZEKERHEID |
21
FEBRUARI 2006. - Ministerieel besluit tot vaststelling van de criteria voor
de erkenning van huisartsen
De Minister van Volksgezondheid,
Gelet op het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de
uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, inzonderheid op artikel
35sexies, ingevoegd bij de wet van 19 december 1990;
Gelet op het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de lijst van
bijzondere beroepstitels voorbehouden aan de beoefenaars van de geneeskunde,
met inbegrip van de tandheelkunde, inzonderheid op artikel 1, gewijzigd bij
de koninklijke besluiten van 22 juni 1993, 8 november 1995, 11 april 1999,
15 oktober 2001, 17 februari 2002, 17 februari 2005 en 10 augustus 2005;
Gelet op het koninklijk besluit van 21 april 1983 tot vaststelling van de
nadere regelen voor de erkenning van geneesheren-specialisten en huisartsen,
gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 13 maart 1985, 12 augustus 1985,
13 juni 1986, 16 maart 1999 en 26 mei 1999;
Gelet op het ministerieel besluit van 3 mei 1999 tot vaststelling van de
erkenningscriteria voor huisartsen;
Gelet op het ministerieel besluit van 16 november 2005 tot vaststelling van
de lijst van diploma's, certificaten en andere titels van arts afgeleverd
door de lidstaten van de Europese Unie;
Gelet op het ministerieel besluit van 16 november 2005 tot vaststelling van
de lijst van diploma's, certificaten en andere titels van huisarts
afgeleverd door de lidstaten van de Europese Unie;
Gelet op het ministerieel besluit van 16 november 2005 tot vaststelling van
de lijst van diploma's, certificaten en andere titels van
geneesheer-specialist afgeleverd door de Lidstaten van de Europese Unie;
Gelet op het advies van de Hoge Raad van geneesheren-specialisten en van
Huisartsen, gegeven op 15 juni 2005;
Gelet op het advies n° 38.743/3 van de Raad van State, gegeven op 20 oktober
2005,
Besluit :
HOOFDSTUK I. - Kwalificatiecriteria voor het bekomen
van de erkenning en van de bijzondere beroepstitel van huisarts
Art. 1. Iedereen die de erkenning en de bijzondere beroepstitel van
huisarts wenst te bekomen, dient houder te zijn van een door de bevoegde
Belgische overheid uitgereikt diploma, certificaat of ander bewijsstuk dat
een specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde bekrachtigt.
De specifieke opleiding bedoeld in lid 1 beantwoordt aan de doelstellingen
vastgelegd in de bijlage en aan de voorwaarden bepaald in de artikelen 2 tot
8.
Art. 2. De specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde bedraagt
ten minste drie jaar en omvat een theoretisch gedeelte en een praktisch
gedeelte. Het praktische gedeelte bestaat uit een doorlopend programma
bestaat van door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid
heeft erkende stages in een of meer ziekenhuisdienst(en), relevant voor de
opleiding van huisartsen, en in één of meer praktijk(en) van stagemeesters
in de huisartsgeneeskunde. Deze specifieke opleiding is alleen toegankelijk
nadat ten minste zes studiejaren van de opleiding die leidt tot het behalen
van het diploma van arts, voltooid en gevalideerd zijn.
Art. 3. Om erkend te worden en de bijzondere beroepstitel van
huisarts te voeren, loopt de kandidaat-huisarts stages overeenkomstig de
hiernavolgende bepalingen.
De stages in de praktijken van huisartsen, erkend als stagemeester door de
Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, of in de
ziekenhuisdiensten, erkend voor opleiding van kandidaat-huisartsen door de
Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, worden
voltijds uitgeoefend of deeltijds, overeenkomstig de bepalingen van artikel
3 van het ministerieel besluit van 16 november 2005 tot vaststelling van de
lijst van diploma's, certificaten en andere titels van huisarts afgeleverd
door de Lidstaten van de Europese Unie.
Wanneer het eerste jaar huisartsenopleiding gevolgd wordt tijdens het
zevende jaar van de opleidingscyclus die leidt tot het behalen van het
diploma van arts, bestaat deze opleiding, overeenkomstig de bepalingen van
artikel 2, § 1, 1°, c) van het ministerieel besluit van 16 november 2005 tot
vaststelling van de lijst van diploma's, certificaten en andere titels van
huisarts afgeleverd door de lidstaten van de Europese Unie, enerzijds uit
zes maanden stage relevant voor de opleiding van een huisarts in door de
bevoegde overheid erkende ziekenhuisdiensten voor kandidaat-huisartsen en
anderzijds uit zes maanden op de praktijk gerichte opleiding met stages in
een door de bevoegde overheid erkende huisartsenpraktijk. Deze zes maanden
komen overeen met 30 ECTS-studiepunten (ECTS = Europees systeem voor de
overdracht en de accumulatie van studiebelastingpunten).
Art. 4. Om de stages na de machtiging tot uitoefening van de
geneeskunde te kunnen aanvatten of voortzetten, legt de kandidaat-huisarts
het bewijs voor dat hij actief en met vrucht een specifiek theoretisch
onderricht in de huisartsgeneeskunde gevolgd heeft dat gericht is op het
behalen van de eindtermen, zoals omschreven in de bijlage, en dat minimaal 8
ECTS-punten omvat. Komt enkel in aanmerking het specifieke onderricht dat
wordt georganiseerd door een instelling van universitair onderwijs in het
kader van de specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde.
Art. 5. Tijdens de stages na de machtiging tot uitoefening van de
geneeskunde, neemt de kandidaat-huisarts deel aan ten minste 40 uur
seminaries per jaar onder leiding van een door de Minister die de
Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft erkende stagemeester in de
huisartsgeneeskunde. Deze seminaries zorgen voor de pedagogische begeleiding
van de stages. De kandidaat legt er medische problemen voor en bespreekt die
in groep.
Komen enkel in aanmerking de seminaries georganiseerd door een instelling
van universitair onderwijs.
Art. 6. De stages verricht, na de machtiging tot uitoefening van de
geneeskunde, in ziekenhuisdiensten die erkend zijn voor huisartsenopleiding
door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, mogen
in totaal niet meer dan één jaar bedragen en niet langer dan zes maanden
duren in éénzelfde dienst. Deze stages omvatten de aspecten van het klinisch
werk relevant voor de huisartsgeneeskunde. Tijdens de verdere opleiding,
worden de stages verricht in een of meer praktijken van door de Minister die
de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft erkende stagemeesters in de
huisartsgeneeskunde.
Art. 7. Tijdens de stages verricht na de machtiging tot uitoefening
van de geneeskunde in de praktijk van een door de Minister die de
Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft erkende stagemeester in de
huisartsgeneeskunde of in een door de Minister die de Volksgezondheid onder
zijn bevoegdheid heeft erkend centrum voor eerstelijnszorg, oefent de
kandidaat-huisarts de huisartsgeneeskunde voltijds uit of deeltijds,
overeenkomstig de bepalingen van artikel 3 van het ministerieel besluit van
16 november 2005 tot vaststelling van de lijst van diploma's, certificaten
en andere titels van huisarts afgeleverd door de Lidstaten van de Europese
Unie, en beschikt over een goed uitgeruste praktijkruimte, legt dossiers aan
over de patiënten en houdt ze bij, en neemt deel aan de verstrekking van de
gezondheidszorg in het kader van de plaatselijke wacht die beantwoordt aan
de bepalingen van artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 78 van 10
november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen en
aan de bepalingen van artikel 5 van het koninklijk besluit van 8 juli 2002
tot vaststelling van de opdrachten verleend aan huisartsenkringen.
Art. 8. De kandidaat-huisarts, in opleiding in de praktijk van een
stagemeester die erkend is in de huisartsgeneeskunde door de Minister die de
Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, berricht minimaal 120 uren
huisartsenwachtdiensten per jaar, georganiseerd en geattesteerd zoals
gepreciseerd in artikel 10, 4°. Het attest dat het aantal uren verrichte
wachten vermeldt, wordt door de verantwoordelijke van de plaatselijke
wachtdienst ondertekend en wordt gevoegd bij de documenten die op het einde
van elk jaar opleiding ingediend worden.
De kandidaat-huisarts kan geen wacht alleen vervullen zonder toezicht van
zijn stagemeester. Dit toezicht gebeurt zoals hieronder bepaald :
1° Wanneer de kandidaat-huisarts in afspraak met en onder
toezicht van zijn stagemeester alleen de wacht verricht, is de stagemeester,
ten minste telefonisch, op elk ogenblik beschikbaar;
2° Bij afwezigheid van de stagemeester kan deze het toezicht,
zoals hierboven bepaald, toevertrouwen aan een andere stagemeester waarvan
de naam is opgegeven in de opleidingsovereenkomst en medegedeeld aan de
verantwoordelijke van de wachtdienst.
Art. 9. Een deeltijdse specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde
kan toegestaan worden door erkenningscommissie van huisartsen, indien deze
conform artikel 3 van het ministerieel besluit van 16 november 2005 tot
vaststelling van de lijst van diploma's, certificaten en andere titels van
huisarts afgeleverd door de Lidstaten van de Europese Unie verloopt en
indien deze beantwoordt aan de voorwaarden uitgevaardigd door de Minister
die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft.
HOOFDSTUK II. - Criteria voor het behoud van de
erkenning als en van de bijzondere beroepstitel van huisarts
Art. 10. Om de erkenning als huisarts en de bijzondere beroepstitel
van huisarts te behouden oefent de huisarts de huisartsgeneeskunde uit
conform de volgende criteria :
1° De erkende huisarts verstrekt de zorgen eigen aan de
huisartsgeneeskunde waarvan de inhoud, enkel en alleen refererend naar
wetenschappelijk onderbouwde praktijken, wordt bepaald door de Minister die
de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft. De erkende huisarts
verstrekt deze zorgen zowel thuis bij de patiënt als in zijn
consultatieruimte en behandelt de patiënten zonder enige vorm van
discriminatie;
2° De erkende huisarts deelt het adres van de
praktijkruimte(n), de lijst van de huisartsen die daar werken, alsmede alle
nuttige en geactualiseerde administratieve gegevens mee aan de Federale
Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en
Leefmilieu. Deze neemt de gegevens op in de federale databank van de
beoefenaars van de gezondheidszorgberoepen, met toepassing van artikel
35quaterdecies van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967
betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen. Elke wijziging
van die gegevens wordt binnen drie maanden medegedeeld aan bovengenoemde
Federale Overheidsdienst;
3° De erkende huisarts legt op gepaste wijze medische
dossiers over zijn patiënten aan en houdt die bij. Het bijhouden van het
globaal medisch dossier van de patiënt, zoals bedoeld in de regelgeving met
betrekking tot de ziekte- en invaliditeitsverzekering, met name in het
koninklijk besluit van 9 maart 2003 tot wijziging van het koninklijk besluit
van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van geneeskundige
verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging
en uitkeringen, kan beschouwd worden als een element van verificatie van
deze erkenningsvoorwaarde;
4° De erkende huisarts neemt deel aan de verstrekking van de
gezondheidszorg in het kader van de plaatselijke wacht die beantwoordt aan
de bepalingen van artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 78 van 10
november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen en
aan de bepalingen van artikel 5 van het koninklijk besluit van 8 juli 2002
tot vaststelling van de opdrachten verleend aan huisartsenkringen;
De erkende huisarts neemt deel aan de wacht van huisartsen georganiseerd
door de huisartsenkringen, zoals bepaald in het koninklijk besluit van 8
juli 2002 tot vaststelling van de opdrachten verleend aan de
huisartsenkringen;
5° De erkende huisarts staat in voor de continuïteit van de
zorg verleend aan de patiënten die hij behandelt overeenkomstig artikel 8, §
1, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de
uitoefening van de gezondheidszorgberoepen : in het kader van de relatie met
zijn patiënten, neemt de huisarts alle maatregelen om ervoor te zorgen dat
hun diagnostische en therapeutische beleid zonder onderbreking wordt
voortgezet.
In die tijdsperiodes waarin geen huisartsenwachtdienst beschikbaar is, neemt
de erkende huisarts de noodzakelijke maatregelen om de continuïteit van de
zorgverlening voor zijn patiënten die hij behandelt, te organiseren;
6° De erkende huisarts staat in voor de permanentie van de
zorg. De permanentie betekent voor de patiënten de toegang tot
huisartsgeneeskundige zorgverlening gedurende de normale uren van de
dienstverlening, zoals bepaald in het kader van de nomenclatuur voor
huisartsen van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering.
De huisartsgeneeskunde kan voltijds of deeltijds uitgeoefend worden.
Indien de erkende huisarts de huisartsgeneeskunde in de regel deeltijds
uitoefent, dient de huisarts geschreven samenwerkingsakkoorden met andere
huisartsen van zijn huisartsenzone af te sluiten om de permanente toegang
tot huisartsgeneeskunde te verzekeren.
Wanneer geschreven samenwerkingsakkoorden gesloten zijn in het kader van een
netwerk of van een groepspraktijk, worden die akkoorden, door middel van een
vooraf vastgesteld formulier, medegedeeld aan de Federale Overheidsdienst
Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu om
geïntegreerd en bijgehouden te worden in de federale databank van de
gezondheidszorgberoepen;
7° Minstens één keer in de loop van vijf opeenvolgende jaren,
totaliseert de erkende huisarts individueel ten minste 500 patiëntcontacten
per jaar. Onder patiëntcontact wordt verstaan een huisbezoek, een
consultatie in de praktijkruimte of een medisch advies dat aanleiding heeft
gegeven tot een getuigschrift van verstrekte zorg. De verificatie van deze
contacten wordt gerealiseerd door het Rijksinstituut voor Ziekte- en
Invaliditeitsverzekering of door elke andere instelling die het bewijs van
zorgverstrekking kan leveren.
8° De erkende huisarts onderhoudt en ontwikkelt geregeld zijn
kennis, vakbekwaamheid en medische prestatie zodat de verstrekking van de
gezondheidszorg in de huisartsgenees-kunde overeenstemt met de actuele
gegevens van de wetenschap. Het bewijs van de accreditering die in het kader
van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering
georganiseerd wordt, kan als element van verificatie gelden. Bij
ontstentenis daarvan bezorgt de huisarts zelf de elementen van verificatie
die overeenstemmen met 20 uren permanente vorming per jaar die door
erkenningscommissie van huisartsen erkend zijn.
HOOFDSTUK III. - Bijzondere situaties en verworven
rechten
Art. 11. De artsen die erkend zijn als geneesheer-specialist
overeenkomstig bovengenoemd koninklijk besluit van 21 april 1983 of
overeenkomstig het ministerieel besluit van 16 november 2005 tot
vaststelling van de lijst van diploma's, certificaten en andere titels van
geneesheer-specialist afgeleverd door de Lidstaten van de Europese Unie,
kunnen erkend worden als huisarts op voorwaarde dat ze voldoen aan artikel
1. In afwijking van artikel 2, eerste lid, kan de duur van de opleiding tot
huisarts korter zijn dan drie jaar. In elk geval lopen zij ten minste twee
jaar stage in de praktijk van een huisarts erkend als stagemeester door de
Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft of in een door
de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft erkend
centrum voor eerstelijnszorg.
In dat geval is voor het verkrijgen van de erkenning als huisarts vereist
dat de kandidaat zijn erkenning als geneesheer-specialist verzaakt.
Art. 12. De artsen die een opleiding leidend tot een titel van
geneesheer-specialist gevolgd hebben overeenkomstig bovengenoemd koninklijk
besluit van 21 april 1983, kunnen eveneens erkend worden op voorwaarde dat
ze voldoen aan artikelen 1 tot en met 8. In afwijking van artikel 6 kan een
vermindering van zes maanden stage in een ziekenhuisdienst, erkend voor de
opleiding van kandidaat-huisartsen door de Minister die de Volksgezondheid
onder zijn bevoegdheid heeft, toegestaan worden, op voorwaarde echter dat de
kandidaat-specialist ten minste twee jaar stage heeft gelopen in het kader
van zijn goedgekeurd stageplan voor de opleiding leidend tot een titel van
geneesheer-specialist en dat de gevolgde opleiding een bijzondere
beroepstitel, met uitzondering van de titel van huisarts, betreft, voorzien
in artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de
lijst van bijzondere beroepstitels voorbehouden aan de beoefenaars van de
geneeskunde, met inbegrip van de tandheelkunde.
Art. 13.
§ 1.
Volgens de voorwaarden vastgesteld door de Minister die de Volksgezondheid
onder zijn bevoegdheid heeft, kan van de artikelen 2 tot en met 8 afgeweken
worden voor de artsen die :
1° als arts-coöperant in een ontwikkelingsland hebben
gewerkt;
2° een gedeeltelijke opleiding in de huisartsgeneeskunde
gevolgd hebben in een Lidstaat van de Europese Unie of in een land waarmee
België een bilateraal akkoord heeft afgesloten;
3° onderzoek verricht hebben omtrent de huisartsgeneeskunde
in het kader van een onderzoeksmandaat;
4° medische nevenactiviteiten uitgeoefend hebben binnen hun
huisartsenopleiding.
§ 2. De Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft stelt
de voorwaarden vast volgens dewelke de kandidaat-huisartsen stages kunnen
lopen in de praktijk van een stagemeester die een verwante is.
HOOFDSTUK IV. - Overgangs- en slotbepalingen
Art. 14. In afwijking van artikelen 2 tot en met 8, kunnen eveneens
erkend worden de artsen die in België ingeschreven zijn op de lijst van de
Orde der Geneesheren, die de huisartsgeneeskunde uitoefenen overeenkomstig
artikel 10 en die :
- ofwel over een getuigschrift van aanvullende opleiding,
beëindigd op uiterlijk 31 december 1977, beschikken, uitgereikt door het
Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering;
- ofwel een door de Minister tot wiens bevoegdheid de
Volksgezondheid behoort, in het verleden erkende aanvullende opleiding in de
huisartsgeneeskunde voltooid hebben, die niet beantwoordt aan de
voorschriften van artikel 1;
- ofwel op 31 december 1994, het recht hadden als arts de
huisartsgeneeskunde in België uit te oefenen in het kader van het stelsel
van de sociale zekerheid krachtens artikel 5 van het ministerieel besluit
van 16 november 2005 tot vaststelling van de lijst van diploma's,
certificaten en andere titels van huisarts afgeleverd door de lidstaten van
de Europese Unie.
Art. 15. De artsen die, op het ogenblik van de inwerkingtreding van
dit besluit, de opleiding in de huisartsgeneeskunde aan het volgen zijn
overeenkomstig het ministerieel besluit van 3 mei 1999 tot vaststelling van
de erkenningscriteria voor huisartsen, kunnen die opleiding voltooien en
erkend worden overeenkomstig de bepalingen van dit laatste besluit.
Art. 16. Het ministerieel besluit van 3 mei 1999 tot vaststelling van
de erkenningscriteria voor huisartsen wordt opgeheven.
Art. 17. Dit besluit treedt in werking op 1 juni 2006.
Brussel, 21 februari 2006.
R. DEMOTTE
Bijlage
Bepalingen met betrekking tot de eindtermen van de beroepsopleiding tot
huisarts
De huisartsgeneeskunde is een specifieke wetenschappelijke en academische
discipline die een eigen opleidingsinhoud, wetenschappelijk onderzoek,
bewijsvoering en praktijk omvat. Het betreft een klinische specialiteit die
zich richt op de eerstelijnszorg.
Na hun opleiding in de huisartsgeneeskunde, dienen de kandidaat-huisartsen
voldoende specifieke competenties ontwikkeld en verworven te hebben in de
volgende domeinen :
1. COMPETENTIES BETREFFENDE DE ZORGVERLENING
De huisarts moet kennis hebben van :
- de normale levensloop van een individu;
- de normale biologische, psychische en sociale ontwikkeling;
- de epidemiologie en het natuurlijke verloop van ziekten, zoals deze zich
voordoen in de huisartsenpraktijk;
- de manier waarop patiënten omgaan met ziekte en gezondheid;
- culturele, religieuze en etnische invloeden op de beleving van gezondheid
en ziekte;
- de invloed van maatschappelijke ontwikkelingen en de werksituatie op
ziekte en gezondheid.
Hij moet de principes van « evidence based medicine« » kunnen integreren bij
de probleemoplossing in het kader van het arts-patiëntcontact.
Hij moet de volgende basisvaardigheden kunnen aanwenden in de
arts-patiëntcontacten :
- zowel systematisch als gericht werken bij het beantwoorden van hulpvragen
van patiënten;
- de relationele aspecten van de arts-patiëntrelatie begrijpen en adequaat
psychosociaal handelen;
- adequaat somatisch handelen;
- een coördinerende en navigerende rol spelen in de zorgverlening.
Hij moet adequaat gebruik kunnen maken van registratiemethodes die geschikt
zijn voor de zorgverlening en preventie.
2. COMPETENTIES BETREFFENDE BEPAALDE CATEGORIE"N PATI"NTEN, KLACHTEN EN
AANDOENINGEN
De huisarts moet voldoende kennis hebben van de acute en chronische
problemen die belangrijk zijn omwille van prevalentie of ernst ervan, en dit
voor alle leeftijden bij de algemene bevolking. De huisarts zal specifieke
aandacht besteden aan volgende groepen : bij zwangere vrouwen, pasgeborenen,
zuigelingen, kinderen, de actieve volwassen bevolking inclusief de sociaal
kwetsbare groepen, bejaarde personen, chronische zieken, personen in de
laatste levenfase.
3. COMPETENTIES IN VERBAND MET DE WERKWIJZE
De
huisarts moet de nodige kennis, vaardigheden en kritische attitudes hebben
verworven om de medische literatuur en de permanente medische opleiding te
beoordelen en om zijn professionele competentie op peil te houden.
Hij moet een wetenschappelijk gefundeerde praktijk kunnen uitbouwen.
Hij moet kunnen samenwerken met andere disciplines en kunnen functioneren
binnen zorgnetwerken, onder meer in het kader van de thuiszorg, palliatieve
zorg, de zorg voor bejaarden en in zorgstructuren die zich richten op
preventie
Hij moet kunnen handelen conform de medische ethiek.
4. COMPETENTIES INZAKE PERSOONLIJK FUNCTIONEREN
De huisarts moet zich bewust zijn van zijn persoonlijke werkwijzen en
waardesystemen zodat hij zijn positie binnen een medisch therapeutisch kader
kan bepalen en tegelijkertijd de waardesystemen en de autonomie van de
patiënten kan eerbiedigen.
Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 21 februari
2006 tot vaststelling van de criteria voor de erkenning van huisartsen.
Brussel, 21 februari 2006.
De Minister van Volksgezondheid,
R. DEMOTTE
