|
| |
Publicatie : 2002-09-26
22 AUGUSTUS 2002. - Wet betreffende de
rechten van de patiënt.
|
Titel |
22 AUGUSTUS 2002. - Wet
betreffende de rechten van de patiënt.
Bron : SOCIALE ZAKEN.VOLKSGEZONDHEID EN LEEFMILIEU
Publicatie : 26-09-2002
Inwerkingtreding : 06-10-2002
Dossiernummer : 2002-08-22/45 |
|
Tekst |
Inhoudstafel
|
Begin
|
HOOFDSTUK I. -
Algemene bepaling.
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in
artikel 78 van de Grondwet.
HOOFDSTUK II. - Definities en toepassingsgebied.
Art. 2. Voor de toepassing van deze wet moet worden verstaan
onder :
1° patiënt : de natuurlijke persoon aan wie gezondheidszorg
wordt verstrekt, al dan niet op eigen verzoek;
2° gezondheidszorg : diensten verstrekt door een
beroepsbeoefenaar met het oog op het bevorderen, vaststellen,
behouden, herstellen of verbeteren van de gezondheidstoestand
van een patiënt of om de patiënt bij het sterven te begeleiden;
3° beroepsbeoefenaar : de beoefenaar bedoeld in het koninklijk
besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening
van de gezondheidszorgberoepen alsmede de beroepsbeoefenaar van
een niet-conventionele praktijk bedoeld in de wet van 29 april
1999 betreffende de niet-conventionele praktijken inzake de
geneeskunde, de artsenijbereidkunde, de kinesitherapie, de
verpleegkunde en de paramedische beroepen.
Art. 3. § 1. Deze wet is van toepassing op privaatrechtelijke
en publiekrechtelijke rechtsverhoudingen inzake gezondheidszorg
verstrekt door een beroepsbeoefenaar aan een patiënt.
§ 2. Bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad
en na advies van de in artikel 16 bedoelde commissie kan de
Koning nadere regels bepalen inzake de toepassing van de wet op
door Hem te omschrijven in § 1 bedoelde rechtsverhoudingen,
teneinde rekening te houden met de nood aan specifieke
bescherming.
Art. 4. In de mate waarin de patiënt hieraan zijn medewerking
verleent, leeft de beroepsbeoefenaar de bepalingen van deze wet
na binnen de perken van de hem door of krachtens de wet
toegewezen bevoegdheden. In het belang van de patiënt pleegt hij
desgevallend multidisciplinair overleg.
HOOFDSTUK III. - Rechten van de patiënt.
Art. 5. De patiënt heeft, met eerbiediging van zijn menselijke
waardigheid en zijn zelfbeschikking en zonder enig onderscheid
op welke grond ook, tegenover de beroepsbeoefenaar recht op
kwaliteitsvolle dienstverstrekking die beantwoordt aan zijn
behoeften.
Art. 6. De patiënt heeft recht op vrije keuze van de
beroepsbeoefenaar en recht op wijziging van deze keuze
behoudens, in beide gevallen, beperkingen opgelegd krachtens de
wet.
Art. 7. § 1. De patiënt heeft tegenover de beroepsbeoefenaar
recht op alle hem betreffende informatie die nodig is om inzicht
te krijgen in zijn gezondheidstoestand en de vermoedelijke
evolutie ervan.
§ 2. De communicatie met de patiënt geschiedt in een
duidelijke taal.
De patiënt kan erom verzoeken dat de informatie hem
schriftelijk wordt bevestigd.
Op schriftelijk verzoek van de patiënt kan de informatie
worden meegedeeld aan een door hem aangewezen
vertrouwenspersoon. Dit verzoek van de patiënt en de identiteit
van deze vertrouwenspersoon worden opgetekend in of toegevoegd
aan het patiëntendossier.
§ 3. De informatie wordt niet aan de patiënt verstrekt indien
deze hierom uitdrukkelijk verzoekt tenzij het niet meedelen
ervan klaarblijkelijk ernstig nadeel voor de gezondheid van de
patiënt of derden oplevert en mits de beroepsbeoefenaar hierover
voorafgaandelijk een andere beroepsbeoefenaar heeft geraadpleegd
en de desgevallend aangewezen vertrouwenspersoon, bedoeld in §
2, derde lid, heeft gehoord.
Het verzoek van de patiënt wordt opgetekend in of toegevoegd
aan het patiëntendossier.
§ 4. De beroepsbeoefenaar mag de in § 1 bedoelde informatie
uitzonderlijk onthouden aan de patiënt, voorzover het meedelen
ervan klaarblijkelijk ernstig nadeel voor de gezondheid van de
patiënt zou meebrengen en mits de beroepsbeoefenaar hierover een
andere beroepsbeoefenaar heeft geraadpleegd.
In dergelijk geval voegt de beroepsbeoefenaar een
schriftelijke motivering toe aan het patiëntendossier en licht
hij de desgevallend aangewezen vertrouwenspersoon bedoeld in §
2, derde lid, in.
Zodra het meedelen van de informatie niet langer het in het
eerste lid bedoelde nadeel oplevert, moet de beroepsbeoefenaar
de informatie alsnog meedelen.
Art. 8. § 1. De patiënt heeft het recht om geïnformeerd,
voorafgaandelijk en vrij toe te stemmen in iedere tussenkomst
van de beroepsbeoefenaar.
Deze toestemming wordt uitdrukkelijk gegeven behalve wanneer
de beroepsbeoefenaar, na de patiënt voldoende te hebben
geïnformeerd, uit de gedragingen van de patiënt redelijkerwijze
diens toestemming kan afleiden.
Op verzoek van de patiënt of van de beroepsbeoefenaar en met
de instemming van de beroepsbeoefenaar of van de patiënt, wordt
de toestemming schriftelijk vastgelegd en toegevoegd aan het
patiëntendossier.
§ 2. De inlichtingen die aan de patiënt verstrekt worden, met
het oog op het verlenen van diens toestemming bedoeld in § 1,
hebben betrekking op het doel, de aard, de graad van urgentie,
de duur, de frequentie, de voor de patiënt relevante
tegenaanwijzingen, nevenwerkingen en risico's verbonden aan de
tussenkomst, de nazorg, de mogelijke alternatieven en de
financiële gevolgen. Ze betreffen bovendien de mogelijke
gevolgen ingeval van weigering of intrekking van de toestemming,
en andere door de patiënt of de beroepsbeoefenaar relevant
geachte verduidelijkingen, desgevallend met inbegrip van de
wettelijke bepalingen die met betrekking tot een tussenkomst
dienen te worden nageleefd.
§ 3. De in § 1 bedoelde informatie wordt voorafgaandelijk en
tijdig verstrekt en onder de voorwaarden en volgens de
modaliteiten voorzien in § 2 en § 3 van artikel 7.
§ 4. De patiënt heeft het recht om de in § 1 bedoelde
toestemming voor een tussenkomst te weigeren of in te trekken.
Op verzoek van de patiënt of de beroepsbeoefenaar wordt de
weigering of intrekking van de toestemming schriftelijk
vastgelegd en toegevoegd aan het patiëntendossier.
De weigering of intrekking van de toestemming heeft niet tot
gevolg dat het in artikel 5 bedoelde recht op kwaliteitsvolle
dienstverstrekking jegens de beroepsbeoefenaar ophoudt te
bestaan.
Indien de patiënt toen hij nog in staat was de rechten zoals
vastgelegd in deze wet uit te oefenen, schriftelijk te kennen
heeft gegeven zijn toestemming tot een welomschreven tussenkomst
van de beroepsbeoefenaar te weigeren, dient deze weigering te
worden geëerbiedigd zolang de patiënt ze niet herroept op een
moment dat hij in staat is om zijn rechten zelf uit te oefenen.
§ 5. Wanneer in een spoedgeval geen duidelijkheid aanwezig is
omtrent de al dan niet voorafgaande wilsuitdrukking van de
patiënt of zijn vertegenwoordiger zoals bedoeld in hoofdstuk IV,
gebeurt iedere noodzakelijke tussenkomst van de
beroepsbeoefenaar onmiddellijk in het belang van de gezondheid
van de patiënt. De beroepsbeoefenaar maakt hiervan melding in
het in artikel 9 bedoelde patiëntendossier en handelt van zodra
dit mogelijk is overeenkomstig de bepalingen van de voorgaande
paragrafen.
Art. 9. § 1. De patiënt heeft ten opzichte van de
beroepsbeoefenaar recht op een zorgvuldig bijgehouden en veilig
bewaard patiëntendossier.
Op verzoek van de patiënt voegt de beroepsbeoefenaar door de
patiënt verstrekte documenten toe aan het hem betreffende
patiëntendossier.
§ 2. De patiënt heeft recht op inzage in het hem betreffend
patiëntendossier.
Aan het verzoek van de patiënt tot inzage in het hem
betreffend patiëntendossier wordt onverwijld en ten laatste
binnen 15 dagen na ontvangst ervan gevolg gegeven.
De persoonlijke notities van een beroepsbeoefenaar en gegevens
die betrekking hebben op derden zijn van het recht op inzage
uitgesloten.
Op zijn verzoek kan de patiënt zich laten bijstaan door of
zijn inzagerecht uitoefenen via een door hem aangewezen
vertrouwenspersoon. Indien deze laatste een beroepsbeoefenaar
is, heeft hij ook inzage in de in het derde lid bedoelde
persoonlijke notities.
Indien het patiëntendossier een schriftelijke motivering bevat
zoals bedoeld in artikel 7, § 4, tweede lid, die nog steeds van
toepassing is, oefent de patiënt zijn inzagerecht uit via een
door hem aangewezen beroepsbeoefenaar, die ook inzage heeft in
de in het derde lid, bedoelde persoonlijke notities.
§ 3. De patiënt heeft recht op afschrift van het geheel of een
gedeelte van het hem betreffend patiëntendossier, tegen
kostprijs, overeenkomstig de in § 2 bepaalde regels. Ieder
afschrift vermeldt dat het strikt persoonlijk en vertrouwelijk
is.
De beroepsbeoefenaar weigert dit afschrift indien hij over
duidelijke aanwijzingen beschikt dat de patiënt onder druk wordt
gezet om een afschrift van zijn dossier aan derden mee te delen.
§ 4. Na het overlijden van de patiënt hebben de echtgenoot, de
wettelijk samenwonende partner, de partner en de bloedverwanten
tot en met de tweede graad van de patiënt, via een door de
verzoeker aangewezen beroepsbeoefenaar, het in § 2 bedoelde
recht op inzage voorzover hun verzoek voldoende gemotiveerd en
gespecifieerd is en de patiënt zich hiertegen niet uitdrukkelijk
heeft verzet. De aangewezen beroepsbeoefenaar heeft ook inzage
in de in § 2, derde lid, bedoelde persoonlijke notities.
Art. 10. § 1. De patiënt heeft recht op bescherming van zijn
persoonlijke levenssfeer bij iedere tussenkomst van de
beroepsbeoefenaar en inzonderheid betreffende de informatie die
verband houdt met zijn gezondheid.
De patiënt heeft recht op respect voor zijn intimiteit.
Behoudens akkoord van de patiënt, kunnen enkel de personen
waarvan de aanwezigheid is verantwoord in het kader van de
dienstverstrekking van de beroepsbeoefenaar, aanwezig zijn bij
de zorg, de onderzoeken en de behandelingen.
§ 2. Geen inmenging is toegestaan met betrekking tot de
uitoefening van dit recht dan voor zover het bij wet is voorzien
en nodig is voor de bescherming van de volksgezondheid of voor
de bescherming van de rechten en de vrijheden van anderen.
Art. 11. § 1. De patiënt heeft het recht een klacht in verband
met de uitoefening van zijn rechten toegekend door deze wet neer
te leggen bij de bevoegde ombudsfunctie.
§ 2. De ombudsfunctie heeft volgende opdrachten :
1° het voorkomen van vragen en klachten door de communicatie
tussen de patiënt en de beroepsbeoefenaar te bevorderen;
2° het bemiddelen bij de in § 1 bedoelde klachten met het oog
op het bereiken van een oplossing;
3° het inlichten van de patiënt inzake de mogelijkheden voor
de afhandeling van zijn klacht bij gebrek aan het bereiken van
een in 2° bedoelde oplossing;
4° het verstrekken van informatie over de organisatie, de
werking en de procedureregels van de ombudsfunctie;
5° het formuleren van aanbevelingen ter voorkoming van
herhaling van tekortkomingen die aanleiding kunnen geven tot een
in § 1 bedoelde klacht.
§ 3. Bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad
regelt de Koning de voorwaarden waaraan de ombudsfunctie dient
te voldoen wat betreft de onafhankelijkheid, het beroepsgeheim,
de deskundigheid, de juridische bescherming, de organisatie, de
werking, de financiering, de procedureregeling en de
gebiedsomschrijving.
HOOFDSTUK IV. - Vertegenwoordiging van de patiënt.
Art. 12. § 1. Bij een patiënt die minderjarig is, worden de
rechten zoals vastgesteld door deze wet uitgeoefend door de
ouders die het gezag over de minderjarige uitoefenen of door
zijn voogd.
§ 2. De patiënt wordt betrokken bij de uitoefening van zijn
rechten rekening houdend met zijn leeftijd en maturiteit. De in
deze wet opgesomde rechten kunnen door de minderjarige patiënt
die tot een redelijke beoordeling van zijn belangen in staat kan
worden geacht, zelfstandig worden uitgeoefend.
Art. 13. § 1. Bij een meerderjarige patiënt die valt onder het
statuut van verlengde minderjarigheid of onbekwaamverklaring
worden de rechten zoals vastgesteld door deze wet uitgeoefend
door zijn ouders of door zijn voogd.
§ 2. De patiënt wordt zoveel als mogelijk en in verhouding tot
zijn begripsvermogen betrokken bij de uitoefening van zijn
rechten.
Art. 14. § 1. Bij een meerderjarige patiënt die niet valt
onder één van de in artikel 13 bedoelde statuten, worden de
rechten zoals vastgesteld in deze wet uitgeoefend door een
persoon die door de patiënt voorafgaandelijk is aangewezen om in
zijn plaats op te treden, indien en zolang als de patiënt niet
in staat is deze rechten zelf uit te oefenen.
De aanwijzing van de in het eerste lid bedoelde persoon,
verder " de door de patiënt benoemde vertegenwoordiger "
genoemd, geschiedt bij een gedagtekend en door de patiënt en
deze persoon ondertekend bijzonder schriftelijk mandaat waaruit
de toestemming van laatstgenoemde blijkt. Dit mandaat kan door
de patiënt of door de door hem benoemde vertegenwoordiger via
een gedagtekend en ondertekend geschrift worden herroepen.
§ 2. Heeft de patiënt geen vertegenwoordiger benoemd of treedt
de door de patiënt benoemde vertegenwoordiger niet op dan worden
de rechten zoals vastgesteld in deze wet uitgeoefend door de
samenwonende echtgenoot, de wettelijk samenwonende partner of
feitelijk samenwonende partner.
Indien deze persoon dat niet wenst te doen of ontbreekt,
worden de rechten in dalende volgorde uitgeoefend door een
meerderjarig kind, een ouder, een meerderjarige broer of zus van
de patiënt.
Indien ook een dergelijke persoon dat niet wenst te doen of
ontbreekt, behartigt de betrokken beroepsbeoefenaar, in
voorkomend geval in multidisciplinair overleg, de belangen van
de patiënt.
Dit is eveneens het geval bij conflict tussen twee of meer van
de in deze paragraaf genoemde personen.
§ 3. De patiënt wordt zoveel als mogelijk en in verhouding tot
zijn begripsvermogen betrokken bij de uitoefening van zijn
rechten.
Art. 15. § 1. Met het oog op de bescherming van de
persoonlijke levenssfeer van de patiënt zoals bedoeld in artikel
10, kan de betrokken beroepsbeoefenaar het verzoek van de in
artikel 12, 13 en 14 bedoelde persoon om inzage of afschrift
zoals bedoeld in artikel 9, § 2, of § 3, geheel of gedeeltelijk
weigeren. In dergelijk geval wordt het recht op inzage of
afschrift uitgeoefend door een door de vertegenwoordiger
aangewezen beroepsbeoefenaar.
§ 2. In het belang van de patiënt en teneinde een bedreiging
van diens leven of een ernstige aantasting van diens gezondheid
af te wenden, wijkt de betrokken beroepsbeoefenaar, in
voorkomend geval in multidisciplinair overleg, af van de
beslissing genomen door de in artikel 12, 13 en 14, § 2,
bedoelde persoon. Indien de beslissing genomen werd door een in
artikel 14, § 1, bedoelde persoon, wijkt de beroepsbeoefenaar
hiervan slechts af voor zover die persoon zich niet kan beroepen
op de uitdrukkelijke wil van de patiënt.
§ 3. In de gevallen van § 1, en § 2, voegt de
beroepsbeoefenaar een schriftelijke motivering toe aan het
patiëntendossier.
HOOFDSTUK V. - Federale commissie " Rechten van de patiënt ".
Art. 16. § 1. Bij het Ministerie van Sociale Zaken,
Volksgezondheid en Leefmilieu wordt een Federale commissie "
Rechten van de patiënt " opgericht.
§ 2. Bedoelde commissie heeft tot taak :
1° verzamelen en verwerken van nationale en internationale
informatie met betrekking tot patiëntenrechtelijke
aangelegenheden;
2° op verzoek of op eigen initiatief adviseren van de minister
bevoegd voor de Volksgezondheid met betrekking tot rechten en
plichten van patiënten en beroepsbeoefenaars;
3° evalueren van de toepassing van de rechten bepaald in deze
wet;
4° evalueren van de werking van de ombudsfuncties;
5° behandelen van klachten omtrent de werking van een
ombudsfunctie.
§ 3. Bij de commissie wordt een ombudsdienst opgericht. Deze
is bevoegd om een klacht van een patiënt in verband met de
uitoefening van zijn rechten toegekend door deze wet, door te
verwijzen naar de bevoegde ombudsfunctie of bij ontstentenis
hiervan, deze zelf te behandelen, zoals bedoeld in artikel 11, §
2, 2°, en 3°.
§ 4. De Koning bepaalt nadere regelen inzake de samenstelling
en de werking van de Federale commissie " Rechten van de patiënt
". In de samenstelling wordt een evenwichtige verhouding
gewaarborgd tussen vertegenwoordigers van de patiënten, van de
beroepsbeoefenaars, de ziekenhuizen en verzekeringsinstellingen
zoals bedoeld in artikel 2, i, van de gecoördineerde wet van 14
juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor
geneeskundige verzorging en uitkeringen. Als leden met
raadgevende stem kunnen eveneens ambtenaren van betrokken
ministeriële departementen of overheidsdiensten worden voorzien.
§ 5. Het secretariaat van de commissie wordt waargenomen door
de ambtenaar-generaal aangeduid door de minister bevoegd voor de
Volksgezondheid.
HOOFDSTUK VI. - Wijzigende en slotbepalingen.
Art. 17. In de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7
augustus 1987, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° In titel 1 wordt een hoofdstuk V (nieuw) ingevoegd, luidend
als volgt :
" HOOFDSTUK V. - Naleving van de rechten van de patiënt. ";
2° Er wordt een artikel 17novies ingevoegd, luidend als volgt
:
Art. 17novies. Ieder ziekenhuis leeft, binnen zijn wettelijke
mogelijkheden, de bepalingen na van de wet van 22 augustus 2002
betreffende de rechten van de patiënt wat betreft de medische,
verpleegkundige en andere gezondheidszorgberoepsmatige aspecten
in zijn rechtsverhoudingen jegens de patiënt. Bovendien waakt
ieder ziekenhuis erover dat ook de beroepsbeoefenaars die er
niet op basis van een arbeidsovereenkomst of een statutaire
benoeming werkzaam zijn, de rechten van de patiënt eerbiedigen.
Ieder ziekenhuis waakt erover dat alle klachten in verband met
de naleving van het vorig lid, kunnen worden neergelegd bij de
in artikel 70quater bedoelde ombudsfunctie om er te worden
behandeld.
Op zijn verzoek heeft de patiënt het recht om uitdrukkelijk en
voorafgaandelijk informatie inzake de in het eerste lid bedoelde
rechtsverhoudingen te ontvangen die door de Koning wordt bepaald
na advies van de in artikel 16 van de wet van 22 augustus 2002
betreffende de rechten van de patiënt bedoelde commissie.
Het ziekenhuis is aansprakelijk voor de tekortkomingen, begaan
door de er werkzame beroepsbeoefenaars, in verband met de
eerbiediging van de in deze wet bepaalde rechten van de patiënt,
met uitzondering van de tekortkomingen begaan door
beroepsbeoefenaars ten aanzien van wie in de in het vorige lid
bedoelde informatie uitdrukkelijk anders is bepaald. ";
3° Er wordt een artikel 70quater ingevoegd, luidend als volgt
:
" Art. 70quater. Om te worden erkend moet ieder ziekenhuis
beschikken over een ombudsfunctie zoals bedoeld in artikel 11, §
1, van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de
patiënt met dien verstande dat de Koning de voorwaarden kan
omschrijven waaronder bedoelde ombudsfunctie via een
samenwerkingsakkoord tussen ziekenhuizen mag worden uitgeoefend.
"
Art. 18. § 1. Het eerste lid van artikel 10, § 2, van de wet
van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke
levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens,
zoals gewijzigd door de wet van 11 december 1998 wordt als volgt
gewijzigd :
" Onverminderd hetgeen is bepaald in artikel 9, § 2, van de
wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt,
heeft elke persoon het recht om hetzij op rechtstreekse wijze
hetzij met behulp van een beroepsbeoefenaar in de
gezondheidszorg kennis te krijgen van de persoonsgegevens die
betreffende zijn gezondheid worden verwerkt. "
§ 2. Het tweede lid van artikel 10, § 2, van dezelfde wet,
wordt als volgt gewijzigd :
" Onverminderd het bepaalde in artikel 9, § 2, van voornoemde
wet, kan op verzoek van de verantwoordelijke van de verwerking
of op verzoek van de betrokkene, de mededeling gebeuren door
tussenkomst van een door de betrokkene gekozen beroepsbeoefenaar
in de gezondheidszorg. "
Art. 19. Artikel 95 van de wet van 25 juni 1992 op de
landverzekeringsovereenkomst wordt vervangen door de volgende
bepaling :
" Art. 95. - Medische informatie - De door de verzekerde
gekozen arts kan de verzekerde die erom verzoekt de
geneeskundige verklaringen afleveren die voor het sluiten of het
uitvoeren van de overeenkomst nodig zijn. Deze verklaringen
beperken zich tot een beschrijving van de huidige
gezondheidstoestand.
Deze verklaringen mogen uitsluitend aan de adviserend arts van
de verzekeraar worden bezorgd. Deze mag de verzekeraar geen
informatie geven die niet-pertinent is gezien het risico
waarvoor de verklaringen werden opgemaakt of betreffende andere
personen dan de verzekerde.
Het medisch onderzoek, noodzakelijk voor het sluiten en het
uitvoeren van de overeenkomst, kan slechts steunen op de
voorgeschiedenis van de huidige gezondheidstoestand van de
kandidaat-verzekerde en niet op technieken van genetisch
onderzoek die dienen om de toekomstige gezondheidstoestand te
bepalen.
Mits de verzekeraar aantoont de voorafgaande toestemming van
de verzekerde te bezitten, geeft de arts van de verzekerde aan
de adviserend arts van de verzekeraar een verklaring af over de
doodsoorzaak.
Wanneer er geen risico meer bestaat voor de verzekeraar,
bezorgt de adviserend arts de geneeskundige verklaringen, op hun
verzoek, terug aan de verzekerde of, in geval van overlijden,
aan zijn rechthebbenden.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal
worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden
bekendgemaakt.
Gegeven te Châteauneuf-de-Grasse, 22 augustus 2002.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en
Leefmilieu,
Mevr. M. AELVOET
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
M. VERWILGHEN. |
|
Aanhef |
Tekst
|
Inhoudstafel
|
Begin
|
ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en
hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt
: |
|
Parlementaire werkzaamheden |
Tekst
|
Inhoudstafel
|
Begin
|
| Stukken
van de Kamer van volksvertegenwoordigers : [50-1642/2001/2002] :
Nr. 1 : Wetsontwerp. - Nrs. 2 tot 11 : Amendementen. - Nr. 12 :
Verslag. - Nr. 013 : Tekst aangenomen door de commissie. - Nr.
14 : Amendement. [- Nr. 15 : Tekst aangenomen in plenaire
vergadering.] Integraal verslag : 15 juli 2002. Stukken van de
Senaat : 2-1250-2001-2002 : Nr. 1 : Ontwerp geëvoceerd door de
Senaat. - Nr. 2 : Amendementen. [- Nr 3 : Verslag.] - Nr. 4 :
Amendement. - Nr. 6 : Beslissing om niet te amenderen.
Handelingen van de Senaat : 19 juli 2002. (Erratum, zie B.S.
20.12.2002, p. 57406). |
|